Kerstcadeau: Interview Annegreet van Bergen over ‘Gouden Jaren’

Annegreet van BergenVerlangen naar een verlangen?

Interview met Annegreet van Bergen over (nostalgie naar) de jaren vijftig en zestig

 

In 2014 publiceerde Annegreet van Bergen het boek Gouden Jaren. Het boek werd meteen een bestseller en werd genomineerd voor de NS-publieksprijs. Gouden jaren vertelt het verhaal van de ongekende economische groei die in de jaren vijftig begon en toont ons hoe anders het dagelijkse leven er een halve eeuw geleden uitzag. Van Bergen beschrijft hoe goed de Nederlander het vandaag de dag heeft ten opzichte van de jaren '50. Niettemin heerst er een gevoel van nostalgie naar deze periode. Waar komen deze nostalgische gevoelens vandaan en zijn ze wel gerechtvaardigd? Een gesprek met Annegreet van Bergen schijnt licht op deze zaak.
 

In Nederland wordt doorgaans met weemoed teruggekeken op de jaren vijftig en zestig, de tijd dat ‘geluk nog heel gewoon was’. We lijken meer nostalgisch dan ooit. Vinylplaten gaan als warme broodjes over de toonbank, vintage meubelen zijn bijzonder in trek en gerenommeerde politici roemen het nabije verleden als nooit tevoren. Maar waarom is dat gevoel, zowel individueel als collectief, vandaag de dag zo dominant aanwezig?

Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, dienen we stil te staan bij wat nostalgie naar het verleden daadwerkelijk inhoudt. Is nostalgie enkel het verlangen naar een tijd dat alles beter was? Volgens historicus Eelco Runia is dit niet helemaal het geval. Hij definieert nostalgie als ‘een verlangen naar een tijd dat we nog een toekomst hadden’.1 Daarmee brengt hij een klein doch elementair verschil aan ten opzichte van de gangbare definitie. Nostalgie heeft volgens hem niet zozeer betrekking op de specifieke kenmerken van de tijd waarnaar we zeggen terug te verlangen, als wel het verlangen naar een tijd dat alles mogelijk was. In dat licht is de huidige nostalgische tendens misschien al beter te begrijpen. Immers, in de broze jaren vijftig en zestig was nog van alles mogelijk. Tijdens de fase van wederopbouw werd aan de toekomst van Nederland gewerkt. Het geluk lag als het ware om de hoek. Hoe anders lijkt dat nu. Wat rest er nog van een alomvattend toekomstperspectief, in een tijd dat we het eigenlijk al zo goed hebben? Is de nostalgie naar het verleden vandaag de dag zo dominant, juist omdat we onze decennia oude schets van de toekomst inmiddels grotendeels ingekleurd hebben?

Al zou nostalgie het verlangen naar een tijd dat alles beter was betekenen, strookt het beeld dat door de nostalgische mens geschetst wordt dan wel met de historische realiteit? Historici trekken dit rooskleurige beeld veelal in twijfel. Zo ook econoom en journalist Annegreet van Bergen. Zij schreef in 2014 het boek Gouden jaren.2 ‘Voor alle vijftigplussers een feest der herkenning,’ noemde NRC Handelsblad de bestseller.3 Door het illustratieve gehalte van dit boek is dit allicht juist, maar het doet niet helemaal recht aan de strekking van het boek. Over haar beweegredenen achter het boek, haar visie op het verschil tussen toen en nu en een mogelijke verklaring voor de grote mate aan nostalgie komen we Van Bergen te spreken wanneer we haar bezoeken in Zutphen. Als de koffie is ingeschonken en de spijskoekjes op tafel staan, kan ons gesprek beginnen.

De titel ‘Gouden jaren’ lijkt te impliceren dat u de jaren vijftig en zestig, waarover het boek voornamelijk gaat, afschildert als betere tijden. Heeft u daarom voor deze titel gekozen?
‘Nee, beslist niet. Aanvankelijk had ik als titel ‘De echte gouden eeuw’ gekozen. Dit werd afgeraden door mijn uitgever. Die zei terecht: dan moet je wel weten wat de Nederlandse Gouden Eeuw inhield. Uiteindelijk zijn we op ‘Gouden jaren’ gekomen, omdat ik daarmee de hele economische ontwikkeling tot nu toe wilde schetsen. De nadruk ligt wel op de jaren vijftig en zestig, maar er komen ook dingen uit de decennia daarna in voor. Het is niet zo dat de jaren vijftig en zestig de ‘gouden jaren’ waren. Zo heb ik het niet bedoeld. En ik heb het ook niet als zodanig ervaren. De mensen die het boek gelezen hebben, willen ook niet terug naar die tijd. Toch is het een feest van herkenning. Zo van: ‘Ja, zo was het’. Dat hoort ook een beetje bij de levensfase van de mensen van mijn leeftijd, dat je gaat mijmeren over vroeger. En dan hebben ze aan mij een heel goede geheugensteun, want het maakt allemaal verhalen los. Maar het idee dat ‘gouden jaren’ op de jaren vijftig en zestig slaan: no way! Zo leuk waren die jaren helemaal niet. De gouden jaren zijn die hele ontwikkeling. Of ze nog steeds zo goud zijn, valt te betwisten. Na de kredietcrisis van 2008 zijn de economische verschillen steeds groter geworden. Naar mijn idee is dat geen wenselijke ontwikkeling. Of het ophoudt of doorgaat, ik zou het niet weten. Maar we zijn rijker dan we ooit voor mogelijk hebben gehouden; dat staat voor mij als een paal boven water.’

Wat is precies de achterliggende gedachte van dit boek?
‘Ik ben van huis uit econoom. Economen proberen vaak te voorspellen wat er allemaal gaat gebeuren. Het idee voor het boek ontstond ten tijde van de economische crisis, in 2010/2011. Er waren toen allerlei voorspellingen over hoe het verder zou gaan met Nederland. Ik ben econoom genoeg om te weten dat al die voorspellingen maar één ding gemeen hebben: ze komen toch niet uit. Iedereen was somber destijds. Tegelijkertijd dacht ik: kijk eens hoe goed we het nu eigenlijk hebben. Als je iemand die heeft geleefd in de jaren vijftig een kijkje laat nemen in het leven van nu, was hij of zij van de ene verbazing in de andere gevallen. Ik dacht: ik kan wel net als al die andere economen koffiedik kijken, maar ik kan ook in kaart brengen wat onze economische groei de afgelopen halve eeuw in de praktijk inhield. Als je in kranten kijkt, denk je dat economische groei niet meer is dan cijfers van het CBS. Dat is slechts een weerslag van de werkelijkheid. Ik wilde schetsen hoe ons dagelijks leven veranderd is door die economische groei. Het was een soort tegendraadsheid van mij, in combinatie met nieuwsgierigheid. Ik ben zelf van 1954, dus weet dat er veel veranderd is. Maar als je dat systematisch in kaart gaat brengen, sta je versteld. 

Wat wij sinds de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt is uniek. Er zijn wel redelijke schattingen van de economische ontwikkelingen ten tijde van de Gouden Eeuw, maar die groeicijfers komen lang niet in de buurt van de groei van de afgelopen vijftig jaar. Er is sprake geweest van een verviervoudiging van het reële inkomen per hoofd van de bevolking de afgelopen vijftig, zestig jaar. Dat was nog nooit eerder gebeurd in de geschiedenis. Ik had dat al wel eens gehoord toen ik in 2008 een hoogleraar interviewde. En ik vond het juist zo leuk om nu eens achter die cijfers te kijken.’

Heeft u daarom ook veel gebruik gemaakt van zowel verhalen van uzelf en uw partner als verhalen van mensen die u niet kende? 
‘Ik heb vooral gezocht naar verhalen die zowel representatief als illustratief zijn. Niet alle verhalen over de familie Van Bergen kon ik gebruiken om de economische situatie van destijds te schetsen. Wat ik bijvoorbeeld wel kon gebruiken, is het verhaal dat we met een ‘lelijk eendje’ (Citroën 2CV) vanuit Enschede naar Amsterdam reden in drie uur. We reden dan pal door de stad en keken of de vlag nog in de top hing. Dan waren er die dag namelijk nog geen dodelijke verkeersslachtoffers gevallen. Dat is illustratief voor die tijd. Je krijgt veel verhalen te horen, ik heb ze zo uitgekozen dat ze goede voorbeelden geven bij de cijfers. Het is leuker om dat verhaal over die eend te lezen dan alleen maar de cijfers te lezen. Soms hoorde ik ook verhalen van onbekenden, bijvoorbeeld in de Albert Heijn. Zo vertelde iemand mij hoe het er vroeger aan toeging wanneer de was werd gegaan. Dat gebeurde in een ketel waarin de was werd gekookt. Daar had ik daarvoor nog niet van gehoord, maar ik vind het dan wel meteen interessant. Ik probeerde natuurlijk wel altijd te achterhalen of dit soort verhalen klopten.’ 

U zei net al dat de jaren vijftig alles behalve ‘goud’ waren. Desondanks wordt er veelal met een nostalgische blik naar de jaren vijftig gekeken. Er worden veel lp’s verkocht en vintage meubelen zijn weer helemaal in. Hoe verklaart u die nostalgie naar het verleden? 
‘Ik denk dat het vooral een kwestie van mijmeren is. Ik denk dat de meeste mensen heel plezierige herinneringen aan die tijd hebben, ondanks dat het niet altijd even leuk was. Denk aan de dreiging van de Russen, de watersnoodramp, enzovoort. Mensen woonden bovendien heel klein. Maar als je kind bent in die tijd en je wordt groot in een redelijk gewoon, evenwichtig en harmonieus gezin, krijg je daar bijna niets van mee. Ik kwam het boek De onbekommerde jaren vijftig van Rob Bouber, tegen dat heel erg vanuit het perspectief van een kind is geschreven. Zo van: dat was mijn eerste dit, dat was mijn eerste dat. Ik denk dat het vooral die onbekommerdheid van een kind is waar mensen naar verlangen. Daarnaast weten mensen dat het toen goed is afgelopen. De Russen zijn niet binnengekomen, we hebben Deltawerken gekregen, we werden rijker, noem allemaal maar op. De goede afloop staat vast. Het was natuurlijk in die zin een hele mooie tijd dat het land alleen maar beter kon worden, nu het land in puin lag en de herinnering aan de oorlog nog vers was. Tegenwoordig wordt wel eens gezegd dat politici de mensen geen perspectief meer kunnen bieden, terwijl ze dat in de jaren vijftig wel konden. Dan denk ik: wat een kunst, als je zag hoe de mensen toen woonden! 


Mijn ouders moesten midden jaren dertig allebei aan het werk toen ze veertien jaar waren. Zij hadden vervolgens één ding dat ze echt zeker wilden: dat hun dochters een goede opleiding konden volgen. Wij -mijn zussen en ik- mochten alle vier zo lang naar school als nodig was. Daar zat een soort van verborgen agenda achter bij mijn ouders: wat ons is overkomen, zal hun zeker niet overkomen. Dát was perspectief: verbetering. Ik heb zelf geen kinderen. Maar soms vraag ik me af: wat zou ik mijn kinderen nog meer aan perspectief geboden kunnen hebben dan ik zelf heb gehad? Moeten ze dan aan twee buitenlandse universiteiten kunnen studeren? Op een gegeven moment houdt het op.’

Als u zelf aan uw jeugd denkt wat is dan uw meest nostalgische herinnering? 
‘Mijn meest nostalgische herinnering is dat ik als twaalfjarig meisje met mijn ouders naar Amsterdam ging. Kennelijk keek ik op een gegeven moment heel verlangend. Dit merkte mijn moeder op en ze vroeg me waarom ik zo keek. Hierop antwoordde ik dat ik ernaar verlangde om in de toekomst naar Amsterdam te gaan en daar te studeren. Ik heb hier ook mijn hele middelbare schooltijd naar uitgekeken, toen wilde ik ook al journalist worden. Dat ik dit ook daadwerkelijk bereikt heb is natuurlijk heel leuk. Ik denk dat het nostalgische voor een deel een verlangen is naar datgene wat vervulbaar is.

In 1979, toen was ik 24, kon je op studiereis naar de Volksrepubliek China. Als ze hadden gezegd dat je naar de maan kon, dan was dat hetzelfde geweest. Ik ben toen mee geweest op die studiereis en het voelde inderdaad alsof ik de maan had bezocht. En nu kun je als je wilt met vakantiebaantjes een reis naar China betalen. Het komt gewoon dichterbij voor de mensen nu. Als je in de jaren vijftig naar Parijs ging, was dat al heel wat. 
Er werd mij ook een keer een hele leuke vraag gesteld, namelijk: wat mist u het meest van de jaren vijftig? Toen zei ik: ‘de verrassing is er af.’ Als je destijds naar Parijs ging, had je toch iets meegemaakt, nu is dat minder omdat het dichterbij komt. Mensen zijn nu niet meer zo snel verrast als vroeger.’ 

U geeft al aan dat de jaren vijftig heel anders waren dan nu. Wat vindt u zelf de beste en slechtste elementen uit de jaren vijftig?
‘Ik denk dat het beste aan de jaren vijftig toch weer het verrassingselement is, maar we moeten ook hier niet te nostalgisch over doen. Iets anders wat ik heel goed vind aan de jaren vijftig is de invoering van de AOW. Na een lezing zijn er wel eens mensen naar mij toe gekomen om mij te vertellen hoe blij hun grootouders waren met de AOW en dat ze in het begin niet konden geloven dat ze geld kregen zonder ervoor te werken. De toegenomen rijkdom zorgde voor een verrassing en nu wordt het veel meer gezien als een geboorterecht. Veel mensen stellen me namelijk ook de vraag of onze kinderen het weer beter gaan krijgen dan wij, alsof economische groei een vanzelfsprekende zaak is en maar door moet blijven gaan. 

Het vervelendste aan de jaren vijftig was dat je je moest behelpen met allerlei dingen. Je kon bijvoorbeeld maar één keer per week in bad, je kreeg maar één keer per week schoon ondergoed en heel veel gezinnen hadden maar net genoeg te eten. Ook waren de mensen destijds best wel bekrompen. Nu wordt er wel eens gevraagd: ‘Wat is kenmerkend aan de Nederlandse identiteit?’ Dan wordt er iets gezegd over gelijkheid van man en vrouw en acceptatie van LGBT, maar in de jaren vijftig waren vrouwen handelingsonbekwaam als ze gehuwd waren. Getrouwde vrouwen waren écht tweederangsburgers. In die zin heeft er een verbetering plaatsgevonden sinds de jaren vijftig, waarbij we ons moeten realiseren dat identiteit niet iets is wat vaststaat. Er wordt tegenwoordig gedaan alsof onze houding t.o.v. vrouwen en homoseksualiteit Nederland altijd heeft gekenmerkt, maar dit zijn verworvenheden vanaf de jaren vijftig, zestig en zeventig.’

In uw boek kijkt u vooral door een economische bril naar de veranderingen tussen de jaren vijftig en nu. Op basis daarvan lijkt u te concluderen dat we er economisch ontzettend op vooruit zijn gegaan en rijker zijn dan ooit. Ziet u ook nadelen aan onze grote economische rijkdom?
‘Daar had ik ook een boek over kunnen schrijven, maar dat hebben anderen al zo vaak gedaan. Er zitten enorme nadelen aan onze toegenomen rijkdom. Allereerst is er het psychologische aspect: het bezit van de zaak is het eind van het vermaak. Rijkdom went zo snel en mensen vinden het al snel gewoon om te hebben wat zij bezitten. Een prachtig verhaal van een mevrouw was dat zij midden jaren vijftig een koelkast kreeg. Drie procent van de Nederlanders had toen een koelkast. Die vrouw vertelde: ‘Ik heb mijn moeder nog nooit zo blij en opgewonden gezien als die dag dat wij een koelkast kregen.’ Tegenwoordig is het hebben van een koelkast heel vanzelfsprekend. Dat kun je je bijna niet meer voorstellen en is ook niemand kwalijk te nemen. Op zich is het gezond voor mensen om ergens naar uit te kijken en nu hebben we al zoveel dat we nog weinig hebben om naar uit te kijken. Mijn boek schetst geen beeld van ‘halleluja’, er is niks aan de hand’, maar het is wel positief. Ben ik dan zo naïef? Nee, maar over die nadelen gaat het al zoveel.

Nederland is nu een paradijs. Het is alleen jammer dat mensen zich hier minder van bewust zijn dan vroeger. Het leven is misschien te saai geworden, want waar moeten mensen nog voor vechten? In Nederland hebben we immers overal hulp bij van professionals. Aan de andere kant is het leven ook veel ingewikkelder dan vroeger door gecompliceerde regelgeving en sociale media. Daarnaast hebben mensen nu veel meer verwachtingen dan vroeger.’ 

***

De vraag of we meer of minder verwachtingen hebben dan vroeger is nauwelijks te beantwoorden. Echter, plausibel is dat de aard van onze verwachtingspatronen veranderd is. Halverwege de twintigste eeuw lag Nederland nog letterlijk (deels) in puin in de nasleep van de oorlog. Nederlanders moesten de samenleving van de grond af opbouwen en dat bracht bepaalde verwachtingen met zich mee. Tegenwoordig borduren onze verwachtingen voort op de verworvenheden die men de afgelopen decennia heeft opgebouwd. Het huidige welzijnsniveau wordt bij het bepalen van die verwachtingen vaak als uitgangspunt genomen en als vanzelfsprekend beschouwd. Gevolg is dat de verrassing er soms wel een beetje af is, zoals Van Bergen zelf heeft genoemd. Bestaat er wellicht een verband tussen dit vernieuwde karakter van onze verwachtingen en de huidige nostalgische tendens?
Van Bergen heeft een aantal elementen belicht die volgens haar samenhangen met nostalgische gevoelens. Zo verbindt zij aan de jaren vijftig en zestig, een periode waar veel mensen naar terug verlangen, een zekere mate van onbekommerdheid alsook het gegeven dat er toen nog daadwerkelijk perspectief geboden kon worden. Van Bergen heeft het bij nostalgie over een verlangen naar datgene wat vervulbaar is. Dit vertoont veel raakvlakken met de opvatting van Runia over nostalgie. Hij verbindt nostalgie immers aan een tijd dat er nog het gevoel heerste dat er een toekomst was. De jaren vijftig en zestig stonden in dat opzicht in sterk contrast met de decennia daarvoor, waarin het toekomstperspectief als gevolg van de economische malaise en politieke conflicten gering was.

En hoe zit dat nu? De toekomst ligt misschien wel meer in het ongewisse dan ooit tevoren, maar tegelijkertijd zijn wij reeds aan zoveel gewend geraakt. Juist omdat wij de afgelopen halve eeuw zoveel verworven hebben, zijn wij als het ware verwend geworden. Dit komt ook naar voren in het boek van Van Bergen. Wat hebben wij het eigenlijk toch goed, is de gedachte die blijft hangen. ‘Het bezit van de zaak is het einde van het vermaak,’ zo luidt het gezegde dat Van Bergen aanhaalde. Misschien kan daar nog aan toegevoegd worden dat zodra dit vermaak wegebt, er een nieuwe vorm van ‘vermaak’ voor in de plaats komt: nostalgie. Is het wellicht zo dat juist wanneer ons toekomstperspectief op eniger wijze vervuld lijkt, we terug willen naar de begindagen van die verwachtingen? Naar de tijd dat alles nog mogelijk was? In dat licht is de huidige nostalgische tendens misschien al beter te begrijpen.
Ofschoon deze stelling plausibel is, is nostalgie niet louter en fenomeen van de afgelopen jaren. Nostalgie is uiteindelijk van alle tijden. Van Bergen wijst tot slot op een bundel met artikelen van De Groene Amsterdammer uit 1953, het jaar van de Watersnoodramp. Schrijver Max Dendermonde schreef destijds: We hebben de laatste jaren al zoveel gehoord over de bedreiging van het Westen. (…) We hebben al zoveel gehoord over een cultuur die verloren dreigt te gaan, al zoveel over lauwheid en onverschilligheid.4  


Hoe nostalgisch we zo ook kijken naar de jaren vijftig – de tijd dat Nederland nog bijzonder saamhorig geweest zou zijn – ook toen golden soortgelijke zorgen over de samenleving als tegenwoordig. Ook toen al werd er gesproken over een cultuur die verloren dreigde te gaan. De weemoed naar het verleden is een continu verschijnsel, waarbij niet uit te sluiten valt dat ook over onze tijd ooit gemijmerd zal worden. 

___________________________

Noten
1.      Eelco Runia, “Nostalgie is ook niet meer wat het is geweest,” NRC Handelsblad, 9 april 2017, geraadpleegd 16 juli 2017.
2.      Annegreet van Bergen, Gouden jaren: hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd (Meppel: Atlas Contact, 2014).
3.      Bernard Hulsman, “Nederlands politiek onbehagen, Hitlers hond & Thé Lau,” NRC Handelsblad, 16 september 2014, geraadpleegd 24 oktober 2017.
4.      Max Dendermonde, “De watersnoodramp in Zeeland: als een paal boven water, water, water, water,” De Groene Amsterdammer, 7 februari 1953.